Excerpt for Een gave? Of een vloek? | Levensverhaal van Noud Philips by , available in its entirety at Smashwords


Een gave? Of een vloek?


Levensverhaal Noud Philips



Geschreven door:

Femke Ronnes-van der Linden


Smashwords Edition





Copyright 2017: Femke Ronnes-van der Linden


Omslagontwerp en foto: Femke Ronnes-van der Linden


www.femkeontmoet.nl

info@femkeontmoet.nl



Dit boek is ook verkrijgbaar als gedrukt exemplaar op www.noudphilips.nl




Licentieverklaring:

Met de aanschaf van dit ebook heeft u een persoonlijke licentie gekocht voor dit boek. Dit ebook mag niet opnieuw worden verkocht of weggegeven aan andere mensen. Als u dit boek met een andere persoon zou willen delen, gelieve dan een extra exemplaar voor elke ontvanger te kopen. Als u dit boek aan het lezen bent en het niet hebt aangeschaft, of het is niet voor eigen gebruik voor u gekocht, ga dan terug naar uw favoriete ebook-verkoper en schaf uw eigen exemplaar aan. Dank u voor het respecteren van het werk van deze auteur.


* * * * *


Inhoud

Voorwoord

Proloog

1958-1978 – De tijd vóór het ongeluk

1978-1980 – Het ongeluk en de gevolgen

1980-1999 – Een gezin

2000-2016 – Nog meer beelden en ervaringen

2016-2017 – Een nieuwe weg ingeslagen

Nawoord

Over Femke Ontmoet

* * * * *


Voorwoord

In december 2016 werd ik benaderd door Boxmerenaar Noud Philips. Hij vertelde me dat hij zijn levensverhaal wilde laten vastleggen, omdat hij de worstelingen die hij met zijn gave had graag van zich af wilde schrijven. Aangezien hij zelf niet zo’n schrijver is, vroeg hij mij om zijn verhaal voor hem op te schrijven. Ik kende Noud toen nog niet, had hem nog niet eerder ontmoet. Begin 2017 maakten we kennis met elkaar en besloot Noud met mij ‘in zee te gaan’. Het voelde goed.

Al snel werd me duidelijk dat Noud een heel bijzonder verhaal te vertellen had. Noud vond het fijn om zijn verhaal in de vrije natuur aan mij te vertellen. We hebben heel wat kilometers samen afgelegd. Al wandelend langs de Maas en later ook in de Staatsbossen van Sint Anthonis, vertelde hij mij wat hij in zijn leven heeft meegemaakt, wat dat met hem gedaan heeft en hoe hij gekomen is tot het punt waarop hij nu is. Het is een verhaal met ups, maar zeer zeker ook met downs.

Tijdens onze wandelingen, waarbij we zelfs een keer ‘verdwaald’ zijn, wisselden vrolijke en verdrietige momenten elkaar af. Noud vertelde ontspannen zijn verhaal en zijn emotie bij de worsteling van de afgelopen jaren was regelmatig zichtbaar. Eindelijk durfde hij te praten over dat wat hij gevoeld, gezien en gehoord had. Ik ben geraakt door zijn bijzondere verhaal en diep onder de indruk.

Bedankt voor je openheid Noud! Het was voor mij een eer en een waar genoegen om je te ontmoeten en samen met jou de tocht door je leven te maken.


Femke Ronnes-van der Linden


Boxmeer, september 2017


* * * * *

Proloog

Lang voordat Noud geboren werd, leefde er een jongen van twaalf jaar. Hij leefde samen met zijn zus en zijn papa en mama. Het gezin was op de vlucht. Het is onduidelijk waarom.

Hun vlucht ging onder andere over water, per vlot over een rivier. Daar sloeg het noodlot toe. De jongen raakte te water en kon de hand die zijn zus hem toestak niet meer grijpen. Hij bleef achter in het water.

Het beeld van de jongen die probeert die toegestoken hand te grijpen staat nu nog steeds op zijn netvlies…

* * * * *



1958-1978 – De tijd vóór het ongeluk

Boxmeer, 4 februari 1958

Op 4 februari 1958 werd Noud Philips geboren. Zijn ouders woonden toen met zijn oudere zus in de Wilhelminastraat in Boxmeer. Noud kreeg nog twee jongere zussen. Het gezin was met drie dochters en een zoon compleet. In 1962 verhuisden zij naar de Emmastraat. Noud is geboren en getogen in Boxmeer, in de buurt die ‘D’n Bouw’ genoemd werd, een echte volksbuurt. Dat Noud ooit uit Boxmeer weg zal gaan kan hij zich niet voorstellen.

De ouders

De ouders van Noud waren hardwerkende mensen: “Mama zorgde voor de kinderen, zoals dat vroeger was hè. En papa werkte bij Stork als inkoper. En wie werkte er nu niet bij Stork in die periode?” lacht Noud. “Het was allemaal Stork.”

De vader van Noud, heeft tot zijn 61e bij Stork gewerkt. Daarnaast was hij heel actief als vrijwilliger bij plaatselijke voetbalclub Olympia ’18 waar hij jarenlang de rol van secretaris vervulde. “Mijn vader was een stil iemand, die eigenlijk thuis altijd alleen maar ‘aanwezig’ was. Hij deed thuis niet zo veel. In tegenstelling tot mijn moeder, die altijd actief bezig was en de drijvende kracht was in ons gezin.” Noud geeft aan dat de band die hij met zijn moeder had ook hechter was dan met zijn vader. “Mijn moeder is ook degene geweest die mij heeft opgevoed. Mijn vader speelde daarbij een veel kleinere rol. Jammer dat ik niet meer contact met hem heb kunnen krijgen. Hij was wel een heel liefdevol persoon. Hij werd niet snel boos, maar als hij boos werd, dan kon je ook maar beter maken dat je weg was. Bijvoorbeeld bij een slecht rapport; dat gooide ik snel naar binnen en deed dan nog sneller de deur weer dicht en maakte me uit de voeten.”

“Mijn moeder was een lief mens, die altijd contact zocht met andere mensen. Zij had een soort zelfde onrust als ik ook ervaar. Dan moest ze op de koffie bij iemand en als ze daar dan weer even gezeten had, dan ging ze weer weg naar een volgend adresje. Ze maakte zo echt hele rondes van de ene persoon naar de ander. Stilzitten kon ze niet.”

“Mijn ouders hebben veel zorgen om ons gehad”, vertelt Noud. “Mijn oudste zus had in haar jonge jaren problemen met haar ogen, en mijn jongste zus had een arm die verkeerd-om aan haar romp zat. Begin jaren ’60 konden ze nog niet zo opereren als nu, dus die hand is altijd in ontwikkeling achter gebleven. Dat heeft toen veel impact gehad op ons gezin. Het was zielig, maar toch ook weer niet. In het dagelijks leven was ze gewoon mijn zus.”

Suikerziekte

De moeder van Noud kreeg tijdens de zwangerschap van haar jongste dochter suikerziekte. Noud vertelt dat het een bijna onbehandelbare variant was. Haar suikerwaarden schommelden enorm. “Daar is ze heel vaak ontzettend ziek van geweest. Ik weet niet hoe vaak we haar naar het ziekenhuis gebracht hebben, meer dood dan levend. Haar suikerwaarden waren bijna niet te regelen, ondanks het meerdere keren per dag spuiten. In het ziekenhuis lapten ze haar dan weer op en na een paar dagen mocht ze weer naar huis. Ze hield ook teveel van het leven om rekening te houden met haar suikerziekte. Ze was gek op lekker snoepen en rookte als een ketter. Ze genoot volop van het leven. We wisten altijd al dat ons moeder niet oud zou worden.”

Longontsteking

In zijn jonge jaren heeft Noud zelf ook veel in het ziekenhuis gelegen, omdat hij meerdere keren longontsteking had. In het ‘oude Madeleine’ – het toenmalige ziekenhuis – in Boxmeer heeft Noud heel wat dagen en weken doorgebracht. “Vroeger als je longontsteking had, dan moest je gewoon in het ziekenhuis blijven totdat het helemaal over was. Ik heb er een keer zes weken gelegen. Dat was in de periode ergens tussen mijn vierde en zesde levensjaar. Ik weet nog goed dat ik iedere dag spuiten in mijn been kreeg met antibiotica. Die zie ik nog gewoon voor me: van die vieze, akelige, grote spuiten die diep in mijn been gestoken werden.”

Als Noud dan op een gegeven moment weer wat fitter werd, ging hij met de zusters mee de afdelingen rond. “Zo leerde ik bedden opmaken, sjouwde mee met van die ijzeren po’s. Dus ik heb er naast alle ellende ook leuke dingen meegemaakt en daar ook mooie herinneringen aan over gehouden.” Toch was het vooral een pittige periode voor Noud, zeker omdat hij zoals hij het zelf zegt een ‘nogal onrustig kereltje’ was. Hij was heel beweeglijk en snel afgeleid. De lange dagen in het ziekenhuisbed vielen hem zwaar.

Opgevoed als een meid

In een gezin met drie zussen werden er voor Noud geen uitzonderingen gemaakt. Hij moest net zoals zijn zussen helpen in het huishouden. “Ik werd eigenlijk opgevoed als een meid. Uiteindelijk heb ik daar in mijn latere leven veel plezier van gehad, want ik kan veel in het huishouden: strijken, wassen, poetsen. Dat is het voordeel dat ik met drie zussen ben opgegroeid.” Toch heeft hij als kind wel altijd het gevoel gehad dat hij moest laten zien dat hij zeer zeker geen meid was. “Dat verklaart misschien ook wel mijn ‘streken’.”

Onrustig kereltje

Noud omschrijft zichzelf als een onrustig, druk, vervelend kereltje. “Ik was altijd bezig, druk naar mijn moeder toe, naar mijn zussen en naar de andere mensen om mij heen. Ik vond dat zelf leuk, maar anderen vonden dat vaak vervelend.”

Noud herinnert zich nog die ene keer toen hij ongeveer 8 jaar was, dat zijn moeder in de kamer zat te breien en hij eigenlijk wel wat aandacht wilde. “Ik trok de breinaald bij haar weg, en heel het breiwerk was ‘naar de klote’. Niet dat ze kwaad was, maar ze kwam wel achter me aan.” Dus Noud rende naar buiten en sprong over het ‘hekje’ van de tuin. “Dat waren ijzeren paaltjes met daartussen zo’n ijzeren ketting. In mijn sprong bleef ik met mijn knie achter een paaltje haken en viel op mijn snuitje. De huid op mijn knie sprong open en dat was een lelijke wond.”

Die streek met de breinaalden leverde hem 6 weken bedrust op. De wond werd gehecht en Noud moest platliggen met een zak zand op zijn knie, zodat de huid tegen elkaar zou blijven zitten en weer netjes aan elkaar zou groeien.

School

Noud ging naar de Sint Petrusschool, een jongensschool aan de Bakelgeertstraat. Hij herinnert zich dat als een leuke tijd. Niet zozeer de lessen, maar vooral de gezelligheid met zijn klasgenoten. “De klassen waren zo’n 25 tot 30 leerlingen groot. Achteraf gezien heb ik best veel respect voor die leraren. Wij waren van die snotjongen, die alles leuk vonden behalve leren.” Noud had een broertje dood aan leren. “Ik had er echt een gruwelijke hekel aan en vond het zonde van mijn tijd. Ik had zoveel andere dingen die ik leuk vond, zoals voetballen, buiten spelen, ravotten. Daar kon ik tenminste mijn energie in kwijt.”

Met zijn vrienden was Noud altijd bezig met voetbal. Of het nu ging om een potje voetballen buiten of om het maken van opstellingen die ze tijdens schooltijd op briefjes schreven, voetballen was zijn lust en zijn leven. “Met mijn klasgenoten was het altijd ‘keten’. Het was een groep vrijbuiters die graag de boel op stelten zette.”

Schrijven

De linkshandige Noud heeft in de derde klas een jaar rechts moeten schrijven. “Linkshandig schrijven was toen uit den boze. Ik heb dat jaar heel wat tikken met de liniaal op mijn vingers gehad omdat ik toch met links bleef schrijven. Rechts schrijven kon ik niet en kostte me heel veel tijd. Dat was met proefwerken natuurlijk ontzettend frustrerend. Als de onderwijzer dan voorbijgelopen was, schreef ik weer snel met links verder, totdat hij weer keek, dan deed ik alsof ik met rechts schreef.” Toch omschrijft Noud de onderwijzer van dat jaar als een ontzettend fijne vent, die nou eenmaal de regels van die tijd moest uitvoeren. Een jaar later werd er soepeler mee omgegaan en mocht Noud weer links schrijven. “Helaas is door dat jaar mijn handschrift helemaal naar de verdommenis gegaan. Dat is nooit meer goed gekomen.”

Strenge onderwijzer

In de vierde klas kreeg Noud les van een strenge onderwijzer. Deze onderwijzer hield er zijn eigen methodes op na om de klas in het gareel te houden. “Wij waren een ontzettend vervelende klas”, weet Noud nog. “Om ons toch wat stil te houden had hij soms een briefje van 1000 gulden bij zich – dat was gigantisch veel geld natuurlijk – dat hij ons aan het begin van de dag liet zien. Als we de hele dag onze mond dicht zouden houden, zouden wij dat briefje krijgen. Dus daar gingen we voor, dat werkte best. Aan het einde van de dag werden we echter teleurgesteld: omdat we tijdens het speelkwartier gepraat hadden, ging de deal niet door.” Aan de andere kant liet diezelfde onderwijzer de jongens ook zomaar onder schooltijd met wat geld naar de winkel gaan om een boodschap te halen. Dat kon allemaal.

Uit de klas gestuurd

Noud werd door zijn streken regelmatig uit de klas gestuurd, “omdat ze het helemaal zat waren met mij”. Maar omdat hij niet zomaar eerder thuis aan kon komen, verstopte hij zich vaak rondom de school. Tot die ene keer dat zijn moeder hem daar had zien rondhangen. “Toen ik thuis kwam kreeg ik op mijn sodemieter van ons moeder.” Noud had er geen rekening mee gehouden dat zij hem weleens zou kunnen zien. “Mijn moeder was meer boos dat ik niet naar huis gekomen was, dan dat ik de klas uitgestuurd was.”

Sporten

Vanaf zijn 10e jaar is Noud bij Olympia ’18 gaan voetballen. “Dat kon ik best goed. Ik ben toen ook in zo’n voetbalschool terecht gekomen, zoals ze dat toen noemden, met andere talenten.” Dat voetballen heeft Noud veel gebracht. Hij kon in het sporten echt zijn energie kwijt. Naast voetballen hield hij ook van hardlopen en ook dat ging hem goed af. “In 1970 heb ik bij een sportdag bij Olympia ’18 een grote beker en diploma gewonnen omdat ik het beste had gepresteerd op die sportdag. Daar heb ik nog een mooie foto van.”

Naar De Biest

Na de vierde klas, in 1966, werden de kinderen in Boxmeer herverdeeld over de scholen en Noud ging samen met de andere kinderen uit zijn buurt naar de nieuwe basisschool aan de Biest. Ondanks zijn regelmatig slechte rapporten op de basisschool, mocht Noud toch naar de havo op het Elzendaalcollege.

Havo Elzendaalcollege

“Ik kon goed leren”, vertelt Noud over die tijd, “maar ik zocht het totaal niet. Ik zat naar buiten te kijken, zag daar andere dingen, was afgeleid. We waren nog met voetballen bezig, allerlei opstellingen maken voor de wedstrijdjes die we na school met de vrienden zouden gaan spelen. Dat was veel leuker dan leren.”

Ook op het Elzendaalcollege hadden de docenten het zwaar te verduren met Noud. “We hadden natuurlijk ook godsdienst, maar daar had ik al helemaal niets mee. Toen was er zo’n leraar die op een keer de bijbels uit de kast ging pakken. Bij wijze van geintje ‘gooi ik die deur dicht’, waardoor de leraar er met zijn vingers tussen kwam. Dus toen kon ik weer gaan.” Noud voelde zich als jongen van D’n Bouw niet echt thuis op het Elzendaalcollege. “Naar mijn idee ging daar toch de elite naartoe.” Al zijn vrienden uit de buurt gingen naar de LTS of naar de Mavo. Noud had wel wat contact met een paar jongens van de Havo, maar als hij na school weer thuis was, trok hij toch vooral op met zijn vrienden uit de buurt.

D’n Bouw

D’n Bouw, de buurt waar Noud opgroeide, was zeker in die tijd niet echt populair. “Daar moest je niet komen, want dan was het oorlog. Daar woonden ook ‘beruchte’ families. Die jongens waren net wat ouder dan wij, maar dat vonden wij als twaalf-/dertienjarigen wel leuk. We hebben daar heel wat ruzie gehad met jeugd uit andere buurten. Dat was echt knokken, haren van de anderen in de handen … Dat was echt…”, denkt Noud terug. “Maar we beschermden elkaar altijd! Er kwam ook wel eens politie bij, maar niemand werd verlinkt. We gaven andere namen op. Dat was een veilig gevoel voor ons eigenlijk. En dat vonden we veel mooier dan school.”

D’n Bouw was zo’n andere wereld dan op school. Het voelde voor Noud als een grote familie, waar iedereen elkaar kende en voor elkaar op kwam. Hij genoot ervan om met zijn vrienden buiten te zijn, op straat, op de hei, in de bossen. Noud deed graag mee. “Ik was vooral zo’n meeloper dan, als de politie kwam stond ik achteraan. Ik vond het interessant om mee te doen en wilde er graag bijhoren, al was ik in dat gezelschap niet de grootste branieschopper.”

De jaren ’60 en ’70 was ook de tijd dat de keukentafels buiten op straat stonden, iedereen buiten was en alles van elkaar wist. “Heel anders dan nu, nu de voordeur dicht gaat en niemand meer iets van elkaar ziet”, vergelijkt Noud.

Circus spelen 

“Bij ons achter in de tuin speelden we vaak circus met een heleboel kinderen uit de buurt. Een van de buurjongens was dan de circusdirecteur met een hoge hoed op. We maakten acts en verzonnen van alles. Een van mijn zussen was bijvoorbeeld clown. De circustent werd gemaakt van doeken die we over de waslijn hingen.” Noud heeft hier mooie en warme herinneringen aan.

Disco

Toen Noud een jaar of veertien was werden de circusactiviteiten vervangen door een discotheek. “Ik had bij ons thuis best wel een streepje voor, want achter in ons schuurtje had ik een grote discotheek mogen maken. Er stonden wat platenspelers en ik kocht van allerlei platen. Dan kwam de hele buurt dansen en ik was dan de diskjockey.”

Verkering

In de periode van de disco in het schuurtje kreeg Noud voor de eerste keer ‘verkering’. “Dat was nog heel onschuldig. Het was met een meisje uit Sambeek, dat ik kende via de buren. Met haar heb ik een poosje opgetrokken en mijn middelste zus was daar ook vaak bij. Dan gingen we met z’n drietjes bijvoorbeeld fietstochtjes maken.”

Toch naar de mavo

Na het eerste jaar havo is Noud alsnog naar de mavo gegaan. “Dat moest wel, ik had echt niks gepresteerd.” Dat vond Noud helemaal niet erg, het interesseerde hem niets. Op de mavo voelde Noud zich wel thuis. “Daar kwam ik weer meer bij het type mensen waar ik me prettiger bij voelde: jongens met een beetje grote monden, stoer en in mijn ogen dapper. We hebben ontzettend veel keet geschopt daar. Het leren was ook daar voor mij bijzaak.”

Noud weet nog goed hoe hij in het examenjaar berekende hoe hij zijn examen Engels zou kunnen halen. “Ik haalde voor Engels tekstverklaren een 10 en heb toen berekend dat als ik voor de volgende test een 2 zou halen, ik nog met een voldoende zou slagen.” En zo gebeurde het. Wat Noud niet had ingecalculeerd was dat zijn lerares Engels daar niet zo blij mee zou zijn. “Zij ging echt over de zeik, want ik was door die 10 natuurlijk het beste jongetje van de klas in Engels, en zij vond dat ik haar in de steek had gelaten.” Deze lerares was niet zo groot, maar had wel een behoorlijk gewicht. Zij zat vooraan in de klas op een verhoging en daar zaten Noud en zijn klasgenoten dan tegenaan te kijken. “Het was een lief mens, maar toen was ze zo kwaad op mij.” Noud snapte haar woede niet zo goed, “ik dacht: ik heb toch een 6, dat is toch voldoende?

Zo ben ik door die hele schooltijd heen gebanjerd: net voldoende is genoeg en dan hoef ik me verder niet zo druk om te maken. Me niet in te spannen.”

Dat de rest van de wereld de jongens eigenlijk helemaal niets kon schelen blijkt ook uit de volgende anekdote uit het eindexamenjaar van de mavo. “Dat was eigenlijk helemaal niet leuk, maar wij vonden dat toen leuk”, zegt Noud. “De directeur van de mavo kwam te overlijden. Daar waren wij geen vrienden mee, want wij haalden van alles uit dat niet paste. Meerdere malen hebben we zijn harde hand, met een scherpe ring, op ons lichaam gevoeld. Meestal voorafgegaan door een achtervolging door de school. Dan wisten we weer wie de baas was.” Toen deze man overleden was, werd dat de jongens door de conrector verteld. Als reactie op dit ‘slechte’ nieuws, sprong een van de jongens juichend een gat in de lucht. “We gaan naar de kroeg”, riep hij. Het staat Noud nog scherp voor de geest: “Die jongen is toen voor een poosje van school gestuurd, maar we zijn wel naar de kroeg gegaan. Deze bevond zich tegenover de school aan de Marktstraat. Daar hebben we gevierd dat we van onze ‘demon’ verlost waren. Terwijl het natuurlijk andersom was.”

Zussen

Noud had in zijn jeugd nooit zo veel raakvlakken met zijn zussen. Waar hij graag en veel sportte, deden zijn zussen dat niet. Noud ging zijn eigen weg. Hij was veel op straat en trok niet veel met zijn zussen op. “Thuis was het gezin, maar daarbuiten was ik met andere dingen bezig.” Toch hebben zijn zussen altijd veel met Noud op gehad. Zijn middelste zus stond het dichtste bij Noud, maar dat kwam misschien ook wel omdat zij slechts een jaar jonger was. Met haar speelde hij wel regelmatig. Zoals wanneer ze circus speelden of discotheek hielden achter in de tuin. Noud heeft nog steeds goed contact met alle drie zijn zussen.

Een bijzonder boek

Bij het zoeken naar oude foto’s kwam Noud nog een bijzonder boek tegen op zijn zolder. “Mijn middelste zus heeft namelijk een hele lange tijd een plakboek bijgehouden met alle informatie over mijn sportcarrière: vanaf het moment dat ik als 10-jarig jongetje ging voetballen bij Olympia ’18, tot aan het moment dat ik (in 1987) stopte. In dat boek zitten krantenartikelen en foto’s. Zij heeft er van alles bijgeschreven.” Dit boek heeft nu voor Noud grote waarde. “Ik had het eerder nog niet zo goed doorgekeken en gelezen zoals ik dat nu wel heb gedaan. Heel bijzonder dat zij dat zo’n lange tijd voor mij heeft bijgehouden! Daar ben ik haar heel dankbaar voor.” 

Voorwerpen van waarde

Noud heeft enkele dingen in huis die voor hem van onschatbare waarde zijn. Een daarvan is een wandkleed. Toen Noud nog klein was, heeft zijn oma van moeder kant een wandkleed voor hem gemaakt. Dat kleed heeft hij altijd bewaard. Daar mag echt niemand aankomen.

Een ander voorwerp waar Noud heel zuinig op is, is een oude jeep, die hij ooit als kleine jongen kreeg van een tante uit Canada. De jeep heeft een speciaal plekje bij Noud in huis.

Weer terug naar de havo

Na het eindexamen mavo moest Noud van zijn ouders weer terug naar de havo op het Elzendaalcollege. Dat zag hij zelf niet zo zitten, maar hij wist ook totaal niet wat hij anders wilde. “Wat moest ik anders? Ik was 16, dus werken was nog te vroeg.” Noud had niet de instelling om van de havo een groot succes te maken. “Ik ging gewoon door met het gedrag dat ik op de mavo ook vertoond had: ontzettend vervelend zijn voor de leraren. De ene leraar na de andere joeg ik tegen me in het harnas. En ik werd weer regelmatig naar buiten geschopt.” In november van dat schooljaar zei een van de leerkrachten: “Philips, het zou toch ontzettend geweldig zijn als jij werk zou vinden en hier weg was.” Noud daarover: “Dat klopte wel, dat vond ik zelf eigenlijk ook wel. Maar goed, het werk was er niet, dus moest ik gewoon naar school.” De ouders van Noud hebben in die periode heel wat met hem te stellen gehad. “Ze wisten dat ik het kon, maar ik verrekte het gewoon.” Noud heeft de teleurstelling hierover bij zijn moeder zeer zeker gemerkt, hij heeft echter nooit veel van zijn ouders op zijn kop gehad. “Die stok achter de deur heb ik nooit gehad, misschien had ik dat wel wat meer nodig gehad.”

Aan het werk

In 1975 werd Noud zoals hij het zelf omschrijft ‘gered’. “Dat was de periode dat werkgevers nog opbelden: ‘uw zoon zit op school en die zit in de een-na- laatste of de laatste klas. Maar kan hij nu niet ervan af?’ Bij mij gebeurde dat met een neef van mij. Die zat bij de belastingdienst en hij belde ons vader of moeder op. Hij vertelde dat hij een goede baan voor me had, waarin ik kon doorgroeien en mooie perspectieven had. Dat vonden mijn ouders natuurlijk helemaal geweldig. De belastingdienst was een hele goede werkgever.” Dus zo gebeurde het dat Noud per 1 maart van school ging en zich bij de belastingdienst in Gennep meldde. “Ik vond dat geweldig, maar kwam wel een beetje van een koude kermis thuis. Ik ging bij de belastingdienst werken, maar wat moest ik daar gaan doen? Leren! Had ik weer…”, lacht Noud nu. “Het voordeel was wel dat ik salaris kreeg. En dat salaris had ik keihard nodig om te zuipen. Want ik ging veel feesten met mijn collega’s en voetbalvrienden. Die vrijheid had ik nodig om mijn onrust kwijt te kunnen.” Noud was toen zeventien jaar. Hij ging cursussen volgen en na een paar waarschuwingen heeft hij die diploma’s uiteindelijk ook gehaald. “Mijn gedrag was daarin nog steeds niet veranderd. Het interesseerde me helemaal niets.” Het lijkt erop dat Noud niet kon accepteren dat een ander bepaalde wat hij moest doen. “Ik bepaalde dat zelf wel wat ik deed en leren hoorde daar niet bij.” Na een jaar kreeg Noud twee brieven thuis. Als hij geen betere punten ging halen, zou hij van de cursus af moeten. “Toen werd ons mam wel boos natuurlijk. Maar ik heb het vanaf toen allemaal netjes, maar met krappe voldoendes, gehaald.”


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-13 show above.)